maandag 27 april 2015

cirkelgang

cirkelgang

wanneer de bongerd geelt
de herfst doet verfruiten
bla’ren nog zat
van de zotte zomer
op zoek gaan naar de koude
de klimop nog brutaal
aan de dakrand neuzelt
de zon steeds verder naar links
tot hij uiteindelijk midwinter
een halve hemel later
bij de toren van het dorp
zijn ondergang vindt
dan tastend naar eigen licht
toch telkens weer zijn weg terug
naar groene vogelzang
en blote zomers


alleen in mijn gedachten kan ik wonen

alleen in mijn gedachten kan ik wonen
(c) istvan koning

alleen in mijn gedachten kan ik wonen
waar taal de omlijsting van stilte is
het vloeit in mij en schaar mij in de stroom
van hen die voor mij groeiden
ook achter me zie ik ze al

alleen in mijn gedachten kan ik wonen
in de stille herkenning
vervuld van weemoed en deernis
over slauerhoffs blues
en schierbeeks ballades

alleen in mijn gedachten kan ik wonen
raadselachtig als de spinrag
en helder als de druppel
uit de beek van de waarheid
die ontspruit uit de bron van gerechtigheid

alleen in mijn gedachten kan ik wonen
met mijn lief en leed
met mijn verwekte levens
het onverwerkt verdriet
als schepper van mijn werk

alleen in mijn gedachten kan ik wonen
waar het ongeschrevene
nog steeds niet op papier staat
want als je stilte gaan benoemen
is het niet die stilte meer

alleen in mijn gedachten kan ik wonen
ik kan nergens anders zijn
maar ooit kom ik thuis
waar de stilte klopt
ik zal je blijven schrijven totdat ik er ben


zaterdag 25 april 2015

dwaalspoor


dwaalspoor
titelgedicht van de bundel 'dwaalspoor'    (c) istvan koning



Hoe diep moet ik graven
voor de eerste holle frase
of is het het ijsblok onder water
onzichtbaar venijnig

het was niet het pad
dat mij dwalen deed
noch de bomen
noch de struiken
noch de borden langs de weg
noch de sterren aan de hemel
lichtend
richtend in de nacht
noch het jaargetij
dat vol van zon
mij uit deed gaan
naar het land van de reizende
vogel
vlinder
vis
en ook niet jij
die een bijster spoor hervond

maar het was ik
in deze nacht
het was mijn voet
die mij op het dwaalspoor bracht.



woensdag 22 april 2015

Hoeveel doe jij er nou per dag?

Door Istvan Koning



Inleiding


Eén van de meest gênante lichaamsopeningen is de anus, 
althans voor velen. De geurende uitstoot die normaal gesproken dagelijks plaatsvindt moet zo snel mogelijk worden weggewerkt en vormt daarmee de basis voor het broeikaseffect.
Evenals de bijbehorende geuren die vrijkomen, wanneer de darminhoud zich naar buiten heeft geworsteld. Soms als steen, soms als brinta en soms als water. Er hangt een waas van geheimzinnigheid omheen. Je praat er niet makkelijk over.
Heren maken stoere grapjes en dames giechelen blozend achter hun handjes bij het horen van dergelijke ‘vieze’ praatjes
Wat gek eigenlijk, want het is het meest gemeenschappelijke dat we hebben. We doen het allemaal, u, ik , de pastoor, de premier, de paus. Zelfs uw hond en kat kunnen er wat van, maar dat hoef ik u niet te vertellen.
Er is veel geschreven over dit onderwerp en artsen maken gretig gebruik van uw uitwerpselen om te zien wat u mankeert.
Van piskijker tot poeproerder, uw drol is belangrijker dan u denkt, volstrekt legitiem en volledig normaal.
Ligt uw lading in het bos eenmaal op de grond, dan zijn er duizenden insectjes, die familie en vrienden uitnodigen voor het spontaan aangeboden feestmaal. Tot zo ver dragen we toch nog een steentje bij aan de natuur. Echter wat er vooraf gaat aan deze bezigheid is vele malen pijnlijker in gezelschap. Winderigheid, vrijgekomen gassen, scheten, winden, broekhoest enz..... 
In Indonesië roepen ze “ Poetjooo!!” als ze er een naar buiten laten en niemand schaamt zich daarvoor.
Deze gassen zomaar laten waaien hoort eigenlijk niet.
In de eerste plaats niet vanwege het onsmakelijke geluid en vooral niet door de penetrante geur, die daar het gevolg van is.
Maar omdat dit gistingsproces een volstrekt natuurlijke is, geldt deze verlegenheid voor iedereen.
Toch zien de mensen de humor in van een scheet, want de meesten kunnen hun lachen niet inhouden.
We proberen de scheet zo goed mogelijk te verbergen, onhoorbaar en onruikbaar te maken.
Dat dát nou juist meestal niet lukt, is er de oorzaak van dat in alle talen over de gehele wereld
opmerkingen worden gemaakt over dit gênante fenomeen.
Na het geklets over het weer, is dit misschien wel het meest besproken verschijnsel.
Scheten laten, het lucht wel op, maar je gaat er ook van blozen.
Daar waar veel mensen bij elkaar zijn ontstaan ook de inwendige en uitwendige geuren die zich
beter laten vermengen als gereformeerd en katholiek, laat staan als jood en moslim.
Elk volk heeft zijn eigen geuren. Zo ruikt de scheet van een Kongolees anders dan die van een Zweed en ruikt het zweet van een Canadees anders dan de transpiratie van een Rus.’
t Is maar hoe je je voedt.
In dit kleine schetige boekje zal ik mij beperken tot gehoorde en bedachte opmerkingen zoals die zich voordoen in cafeetjes, in sportkantines, op bruiloften, tijdens koninklijke recepties en ja,
toch ook in de kerk.
De humor ligt op straat, wordt er wel gezegd, als het maar wil zien. Dat is ook zo en dat geldt zeker voor dit onderwerp.
De humor kun je horen, de humor zien, maar de humor kun je ook ruiken, als je oren, ogen en neus maar open staan. Stel je voor.......
Een bruin kroegje in de Amsterdams binnenstad.
Dagelijks zitten hier drie, soms vier, mannen te kaarten.
Hartenjagen om centen. Dagelijks wisselen ze hun levensverhalen uit, soms vrolijk, soms droevig, met een lach of een traan.
Dagelijks laten ze hier ook de maag- en darmgassen de vrije loop.
Als het al eens gebeurt dat en maag en darm tegelijkertijd stoom afblazen roepen ze steevast: “Zo, van mond tot kont vandaag?”
Met name Joop, of liever gezegd Jopie, want zo werd hij in het café genoemd, had last aan beide kanten.
Jopie ging gebukt onder een spastische dikke darm en dat gaat gepaard met veel flatulentie. Maar ook aan de andere kant van het lichaam ontsnappen soms ongewilde luchtstromen
in de vorm van boeren en soms in de vorm van een slechte adem.
Misschien vormen deze mannen wel de enige groep, die er op een juiste wijze weet mee om te gaan, door het niet aflatend op een humoristische wijze te benaderen.
Op die manier maken ze elkaar op al deze luchtjes en geluidjes attent.
Voor het vrijelijk loslaten van lichaamsgassen, uit welke openingen dan ook, kan dit boekje een handleiding zijn om er op een meer natuurlijke manier mee om te gaan.

Ik wens u veel plezier bij het lezen van deze lollige onsmakelijkheden.
Istvan Koning



Opmerkingen die je kunt verwachten
of zelf kunt maken.

Heb je een verkouden kont, Jopie?
……………….
Jopie is schijnzwanger van de uien.
………………….
Brand in Paramaribo.
…………………………..
Rijnmond fase drie
……………….
Vooral niet inhouden Jopie, want dan krijg je pukkels.
……………………
Je hebt droge en natte. Dit was een droge.
………………………
Jopie, wat ben je loslippig vandaag.
…………………….
Zo jongen, ben je daar eindelijk
………………………..
Zo, jij hebt er lang over gedaan.
………………………..
Is dat lachen
……………………….
Jopie wordt vader
……………………..
Dag knul ik heb je gemist
…………………………
Dat klaart de lucht niet, hoor
…………………………..
Poetjo!!!
……………………
Poepang ambon
……………………
t Is er uit voor je 't weet, hé Jopie.
……………………..
Wat is-ie mooi, hè.
………………………
Je moet straks wel je schoenen poetsen.
……………………
Hard klinken is weinig stinken
……………………..
Jij ruikt zelf niks, want jij ben met de helm geboren.
……………………..
Jopie is bezig z’n aambeien te schoffelen.
……………………
Soms voert-ie in z’n eentje hele gesprekken…
………………………
Warm hè
…………………………
Wat is-ie laat vandaag
…………………..
Je kan ze niet altijd thuis houden Jopie
…………………….
Er komt een moment, dat je ze moet laten gaan
………………………..
Vliegen is goedkoper dan je denkt
……………………
Lekker buiten, hè
……………………….
t Is elke keer weer anders
………………………..
Jopie hang de vuile was buiten
……………………….
t Eten was wel lekker, maar je gaat d’r zo van tochten.
…………………….
Ach wat is-ie klein, maar hij stinkt als een hele grote
………………………
Jopie heeft diverse smaken.
………………….
Hallo Wolfgang Amadeüs
…………………….
Zit je luier wel goed, Jopie?
…………………………
Vergeet je tandenborstel niet
……………………
Dat was er een met een zacht “g”
…………………..
He he, je hebt lang genoeg zitten schuiven op je stoel
………………………
Zo te ruiken is die nog van gisteren
……………………..
Niet zo dringen, ik ga heus wel opzij
………………………
Even de bandjes oprekken
………………………
mooi he, ’t is een gave
……………………
Met de groeten vanuit de binnenlanden
……………………..
Is het een jongen of een meisje
...................................
Daar is-t-ie dan,
de koning van z’n kont, de rector van zijn reet
....................................
Laat ze maar waaien hoor, dan zijn ze ook eerder weg.
………………..
Lever je d’r ook neusdruppels bij?
………………….
Heb je geen zakdoek
………………………..
Ach ober, mag die hond in zijn mand
…………………..
Zo die was goed voor schoppenvrouw
………………….
Heb je ook kamperfoeliegeur?
………………………
Hij hoort je niet, ik zal wel effe voor je roepen: “Ober!!!”
………………..
O, is je tuinman d’r weer
…………………..
Wat een schijtopmerking zeg
……………………..
Zóóó, conservatorium zeker.
…………………..
Doe mij maar met aardbeien
…………………………
Scheur d’r voor mij ook één af.
………………………
Blijf je d’r nou bovenop zitten, Joop?
Daar krijgt-ie hoofdpijn van, hoor.
……………………………..
Moet je onder water doen, win je de honderd meter schoolslag.
……………………
Leg hem daar maar neer
………………………..
Zou je hem niet een stoel aanbieden
………………………
Hallo, ben je alleen vandaag of komt de rest ook nog
…………………..
Lassie toverscheet
………………………
Doe je de deur wel achter je dicht
…………………………….
Krijgen we onweer
…………………….
Ken je hartenjagen
……………….
Zo dat was een harde. Deed-ie zeer?
……………………..
Ober heb je soms nieuwe schoenen gekocht?
………………
Moet je op het strand doen, kun je hem paneren
…………………..
Zonde hè, van die knoflook
………………..
Voor de rest is het wel leuk hier
………………….
Met blijdschap geven wij kennis…
…………………….
Daar heb je flipper…la la la
.......................... .......
Je raadt nooit waar die heen gaat
. ……………………………
Gebruik je diesel of benzine?
............................................
Ken je d’r ook een met een salto?
............................................
Mooi aroma, was een goed jaar.
............................................
Zo zijn wind waait, waait zijn rokje
……………………
Hoera ’t is een meisje
…………………….
Misschien wordt-ie wel minister
………………………
Klinkt de scheet als een zachte lach
Dan ruik je hem de hele dag
………………………
Het tafelkleed kwam omhoog
………………………
Niet in m’n kaarten kijken!!!
....................................
Ik hoorde een ufo voorbij komen
.....................................
Zeker laag water
.....................................
Heb u terug van een tientje?
.....................................
Geef-em op voor idols
.....................................
Winderen voor winderen
.....................................
Toe maar hoor, ’t zomerseizoen is toch afgelopen.
.....................................
Probeer je nou een regenboog te maken?
....................................
Wat wordt het hier ineens nevelig
....................................
Opus Jopie
....................................
Overdrijvende wolkenvelden
…………………………
Zo zingt mijn opoe ook, hard en onzuiver, maar ja die stonk uit d’r gebitje
…………………………
t lijkt wel een Fiat
……………………
nou je zwemdiploma nog
…………………………..
Da’s pas achtergrondinformatie...
..........................................
laat de belasting het niet ruiken
………………………………
nee je krijgt geen korting
………………………..
trap-em dood anders bijt-ie
……………………..
Ober, mag de deur open
Jopie moet mest uitrijden
…………………
t Stinkt nog erger dan Apenheul
…………………….
Wat doe jij daar van binnen?
................................................
zo juist vertrokken van kaap kont
……………………………
Moet jij niet eens een nieuwe uitlaat?
............................................
t Is druk vandaag op Schiphol
……………………..
Ober heb je een spuitbus, maakt niet uit welke geur
…………………………
Hoeveel doe je er nou op één dag?
...............................................
Zo die valt in het hogere tarief
................................................
Dat was een harde, die kan wel in z’n eentje op toernee
................................................
Ober, kun je niet zeggen dat hij met spoed moet worden opgenomen.
.................................................
Is dit het voorprogramma of komt er nog meer?
.................................................
Daar komen de binnenlandse strijdkrachten weer....
.................................................
D’r komt toch geen tsunami achteraan, hoop ik.
……………………………….
Hé, je mag niet meer roken in de horeca
…………………………………
Hoor-es even, een bruine ster met ademnood.
…………………………………
Lang zal die leven
……………………………
Jammer dat je hier niet kan doortrekken..
…………………………..
Dat moet je niet doen bij dikke mist
Dan blijft het zo hangen
............................................
Oi, ben ik op de bloemenveiling?
........................................
D’r moet een nieuw leertje in
............................................
Sjongejonge, wanneer is jouw zwanenhals voor het laatst geraagd?
.............................................
Kerel, dat je snor er niet van afbrokkelt
.............................................
Mij vooral niet schrijven
Ik hou niet van geurbrieven
..............................................
Hallo fase drie
..............................................
In frankrijk maken ze d’r kaas van
..............................................
Eet je veel franse kaas?
…………………………………
Jij krijgt vast geen een bekeuring, want dan moet je je naam noemen.
……………………………
Heb jij geen reet? Waarom stink je dan uit je bek?
…………………………….
Begraaf jij ook je botjes?
…………………………….
Jij moet geen schoolmeester worden.
Vergiftig je de kindertjes
………………………………
Ober zet de plantjes maar weer rechtop, Joop gaat naar huis?
………………………………
De violen zetten hun demper op
…………………………………….
Niet te hard praten...krijg ik blauwe plekken van...
……………………………..
Ober!! Zet de afzuiger effe aan, Jopie moet niezen.
………………………………
Ga asjeblief een beetje meer naar stuurboord met je adem....
……………………………….
Niet tegen me praten, ik bel je wel
………………………………
Heb je een dooie vogel op je tong?
…………………………..
Wat voor merk tandpasta gebruik jij…
…………………………..
`k heb vroeger naast zo’n fabriek gewoond
……………………………..
Hoe is het met de plantjes thuis….?
……………………………….
Het lijkt wel of je een ouwe vrouw opgegeten hebt.
……………………………
Om verdere discussie te vermijden geef ik je nu al gelijk
………………………………….
Ach meneer, wilt u alstubieft de andere kant uitpraten
…………………………………
Je mag alleen met tegenwind tegen me praten.
………………………………….
k heb vanmorgen het kippenhok schoon gemaakt, maar ik ruik het nog
…………………………………..
Weet je zeker, dat er geen vogelnestje in je holle kies zit….?
………………………………………..
Liet je nou een scheet of zei je wat…
…………………………………
Kun jij je stropdas niet voor je mond houden…
………………………………
Getverdemme, je lijkt gerda verburg wel.
……………………………..
Ja, op deze manier heb je altijd vieze praatjes.
………………………….
Ik zei het al, dat zaakje stinkt.
………………………
Zijn het nou je kiezen, je keel of komen die dampen zo uit je maag…?
………………………….
Laat de politie het niet ruiken.
………………………….
Als ze een doelpunt maken, mag jij alleen maar klappen.
………………………………
dat je d’r nog geluid bij kan maken.
………………………………
Heb je ook zo’n droge keel....
...............................................
Weet Staatsbosbeheer, dat je dit doet….?
…………………………………
Zo! Lekker broeikasje van me.
………………………..
Heb jij misschien een hyena gebeft?
…………………………
t ruikt hier naar de grotten van Han
…………………………..
Mag ik je een glaasje chloor aanbieden..
…………………………..
Een stukkie kaas van de baas
………………………….
Hij vertoont wel vluchtgedrag, hé
……………………………
Da’s een dure, dat hoor je wel.
................................................
Komen z’n collega’s ook nog
................................................
k Weet niet of je het weet, maar je rookt uit je krater
.................................................
Daar komen de binnenlandse strijdkrachten weer....
.................................................
Heb je met je kop in de vullisbak gezeten vanmorgen
…………………………….
Ober mag Jopie even in bad..
……………………………..
Ober breng gauw koffie, want Jopie heeft weer kattenbrokjes gegeten.
……………………………..
Je meurt uit je kampeerafdeling
………………………………
Hoeveel doe je d’r nou per dag?





























































zondag 5 april 2015

De Passion

Column 108 Passie

Ik had me nog zo voorgenomen er niets over te zeggen.....maar de religieuze blubber die de EO/KRO weer over het volk, ruim drie miljoen kijkers, heeft uitgestort lijkt elk jaar waanzinniger te worden. Ook op kleine schaal gaat dit fenomeen van 'the passion' zich manifesteren. Vanmorgen vroeg vertelde Radio 1 me dat er in Poeldijk, een dorp in het Westland, vandaag Goede Vrijdag, een eigen 'Passion' zal worden opgevoerd. Helemaal in de stijl van het Westland en heel eigentijds ook. Zo gaat het verhaal van het lijden en sterven van Jezus in Poeldijk over de Russische boycot van de Poeldijkse paprika's en over de strijd, die er gaande is over de plaats waar het nieuwe gemeentehuis moet komen te staan. Deze degeneratie van het Christendom is eigenlijk hetzelfde als de leugensoep, die Den Haag ons af en toe serveert, de bewust in het leven geroepen valse sentimenten bij de MH17, bij Charli Hepdo of de crash in de Alpen. Dezelfde waanzin vind je terug bij de Indonesische rechtspraak of bij ISIS. Bloemen, knuffels, herdenkingsdiensten en stille tochten....je zou er een organisatiebedrijf voor kunnen oprichten. “Bent u ook zo geraakt door de Passion?” vroeg de verslaggever van Radio 1. “Huh..., ” zei de voorbijganger, “ ik ben mozlim dus het zegt me niks, weet je...maar al die menze is wel gezellig, weet je..” Persoonlijk word ik liever door de bliksem geraakt dan door deze Passion.
Passie is de lijdensweg van Jezus, maar Passie betekent ook liefde. Wat wij zouden móeten zien is de 'lijdensweg van de liefde', maar wat we echt te zien krijgen is een glorietocht van BN'ers die uit de Mollenfabriek zijn komen rollen. Wie is de Mol? Nou, dit is de mol, die ondergronds het gezond verstand van het volk ondergraaft. Er komt een moment dat het fout gaat met dat spektakel, let op mijn woorden en dan gaan nog echte slachtoffers vallen. Overigens, er komt  binnenkort ook een dergelijk afvalprogramma voor senioren. Gaan de jongeren gebukt onder een ADHD-complex, de oudere mens wordt getrakteerd op het PHPD-syndroom (Pijntje Hier Pijntje Daar), Eem programma metr als titel: ”Wie is de paracetamol?”
hè..ik had er niks over willen zeggen....nou dan volgend jaar maar proberen te zwijgen, maar....ik ben zo bang dat dan mij n eigen dorp een eigen Passion gaat organiseren....met Jacques in de hoofdrol...en Astrid als Maria ..... en dat ik dan de Judas moet wezen....






vrijdag 6 februari 2015

Dik Licht

Dik Licht    (c) istvan koning


Een artikel uit National Geografic's nieuwsbrief van 27 februari 2015 'ONMOGELIJK GROOT' ZWART GAT ONTDEKT
De massa van het zwarte gat is zo groot als die van twaalf miljard zonnen. De quasar, een extreem heldere wolk materiaal die door een zwart gat wordt opgeslokt, stoot energie uit die vergelijkbaar is met die van een miljoen keer een miljard zonnen. De ontdekking, zeggen de astronomen, stelt de huidige theorieën over het ontstaan van zwarte gaten op losse schroeven.


dik licht
De reeds lang gevestigde kilte van mensen tegenover elkaar heeft zich doorgezet in de werkelijkheid.
Het begon met de 'koude oorlog', gevolgd door een ijzig egoïsme in de vele jaren erna om tenslotte wetenschappelijk te moeten vaststellen dat de bewegingen in de ruimte van de zonnestelsels hele andere zijn, dan ooit voor waar werd gehouden.
Niet dat de wetenschappers zulke onzin hadden uitgekraamd, integendeel de vastgestelde waarnemingen van revolutie en rotatie waren volledig juist. Er zijn alleen nieuwe dingen bijgekomen, die we nog niet wisten. Wel heb ik al lang een vermoeden over bepaalde zaken. Bijvoorbeeld de kosmische seizoenen.

Hierover schreef ik reeds in negentienhonderdeeneenzestig (1961), maar dat werd toentertijd afgedaan als leuk, maar simpel bedachte Science Fiction.
Dus de wetenschap bleef dapper doorrekenen met de snelheid van het licht en daarmee liepen ze op een gegeven moment uit de pas, want het licht blijkt zich steeds langzamer voort te bewegen. De snelheid waarmee het licht zich voortplant is afhankelijk van de 'dikte' van het licht en van de afstand die het aflegt. In plaats van dikte kunnen we ook spreken van dichtheid.
Daaraan gekoppeld is weer de samengesteldheid van het licht. Hoe groter de samenstelling, des te groter de dichtheid (dikte). Hoe ijler het licht, des te zuiverder, lichter en sneller.
Hierbij moeten we wel bedenken, dat we van 'licht' moeten kunnen blijven spreken.
Want wanneer houdt licht op licht te zijn als het alsmaar ijler wordt? De minste of geringste vorm van licht, wat nog alle eigenschappen van licht bezit noem ik 'Het Enkele Licht'.
Dit is te vergelijken met bijvoorbeeld een molecuul (element), dat nog alle eigenschappen van de stof bezit.

Het licht snelt voort met een bepaalde snelheid. Tenminste voor zover wij met al onze omgevingsbeperkingen en gelimiteerde denkvermogen dat zelf proberen onder woorden te brengen.
Nu is 'snelheid' sowieso een aards begrip, want immers snelheid is de afgelegde weg, afgemeten in tijd. Tijd is een niet-bestaand fenomeen in de ruimte. Dientengevolge is snelheid niet bestaand in de zin van tijd, zoals wij die menen vast te kunnen stellen.

Niet het heelal dijt uit, maar het licht wordt trager.
Dat wil zeggen, dat een bepaald zonnestelsel op een afstand van 600 miljoen lichtjaren, na herberekening na bijvoorbeeld 40 jaren. zich ineens op 400 miljoen lichtjaren bevond. De eerste meting van 600 miljoen is dus een onjuiste constatering geweest, gebaseerd op onjuiste gevolgtrekkingen, die ons eerder op een dwaalspoor brachten dan dichter bij de werkelijkheid.

Op grond van de ontdekking, dat de zaken moeten worden herbezien met de nieuw verworven inzichten, worden natuurlijk vele speculaties en nieuwe impulsen aan de wetenschap toegevoegd. Vooral aan de 'pre'-wetenschap, de 'veronderstellingsfase' en de nog daarvoor liggende 'wetenschappelijk fictiefase'.
Als studentje lag ik reeds in de clinch met de leraar over dit onderwerp.
Ik beweerde, dat in de lange geschiedenis van onze wereld, voor zover wij in staat zijn die te achterhalen, er telkenmale sprake is van bijvoorbeeld de eerste ijstijd en de tweede ijstijd enz.
Het Primair, Secundair, Tertiair en Quartair volgden elkaar op met een redelijke constante in de tijd.
Daarnaast verhaalde meerdere godsdiensten over een allesoverheersende watervloed (Zondvloed), die vrijwel alle bestaande gebieden overstroomde, waardoor buitengewoon veel leven verloren ging.
Niet alleen in de omgeving van het oude Israël, maar dergelijke verhalen doen zich ook voor in India, in Iryan Djaya, in Peru en Griekenland enz. In de berekening van de paapse wijsgeren (?) moet dat zo'n twintigduizend jaar geleden zijn gebeurd. Een getal, dat op geen enkele wetenschap is gebaseerd. De afstand in tijd doet er ook niet zoveel toe.

Wat er wel toe doet is het feit, dat zich lang geleden iets kosmisch heeft voorgedaan, waardoor de aarde tijdelijk werd verzwolgen door het water. Nu weten we, dat het maar een ding kan zijn geweest en dat is het smelten van de poolkappen. Dat kan eigenlijk maar op een manier gebeurd zijn. Als kind vroeg ik me reeds af, waarom de aarde scheef stond in de ruimte. Die scheefstand, met de poolnachten en poolzomers als gevolg. Die scheefstand, die de hoek van declinatie bepaalt. Het is juist deze scheefstand, die in beweging is en de aarde kantelen doet van links naar rechts en van rechts naar links. Het is deze wisselende scheefstand, die onze aarde trakteert op 'kosmische seizoenen', die elk wellicht 300.000 jaar duren.
Door een revolutionaire kanteling zal er buitengewoon veel ijs smelten en zal het grootste gedeelte van het land tijdelijk onder water komen te staan. Vandaag de dag moeten we ons dus dubbel zorgen maken over het broeikaseffect, waardoor de aarde wordt opgewarmd, met als gevolg het smelten van de poolkappen. Een volslagen onnatuurlijke toevoeging van het smeltproces, welke daardoor wellicht nog onbeheersbaarder zal blijken als toentertijd de zondvloed.
Maar, als de poolkappen met hun miljarden kubiele meters water, gewoon in tact blijven, dan kan het waterpeil van de aarde niet stijgen of dalen.
Immers, er zal nooit een druppel water bijkomen en er zal nooit een druppel water verdwijnen.

Hiertoe het volgende voorbeeld:
Er hing een druppel water aan het puntje van een berkeblad. Het had geregend, dus dat was niet zo verwonderlijk. De druppel werd dikker en zwaarder door toevloed van het water vanaf het blad. Net zo lang tot hij te zwaar werd en tenslotte met een splash op de aarde te vallen. Als snel was de druppel de aarde ingetrokken, trok door die aarde heen en kwam tenslotte in het grondwater terecht, dat hem meevoerde langs duistere en onbekende wegen, waarin hij niet kon herkennen waarheen zijn weg zou gaan.
Na lange tijd verscheen er weer wat licht in zijn wereld en het grondwater mondde uit in een beekje en spuwde onze druppel in de stroomversnelling van het jagende water. De druppel werd duizelig van het tollende beekje en slierten om rotsblokken heen in juichende stemming. De zon scheen en de beek was koel. Als een grootpretparkbeleving belandde tenslotte de druppel in een grote en veel trager stromende rivier. Heerlijk om uit te rusten na de inspannende duikeltocht bergafwaarts. In zo'n dikke en brede rivier wordt je gedragen door miljarden andere druppels, die je meevoeren naar onbekende verten en in vol vertrouwen, want de rivier zal toch wel weten waarheen zij stroomt. En dat wist de rivier ook, want zij kende maar een stroomrichting en dat is naar lagere landen om uiteindelijk uit te monden in de zee. De eindeloze zee. Zoveel druppels heb je nog nooit bij elkaar gezien. Duikelend naar beneden en proestend weer omhoog, meesurfend met de golven en verder water, niets dan mededruppels, die allen de eeuwig zelfde reis maakten.
Totdat de druppel zich plotseling opgetild voelde en zich bevond in een emmer aan een touw, die een schepeling naar beneden had laten zakken. Het dek moest geschrobd, en water was makkelijk voorhanden. Een puts water en over het dek uitgooien, en dan schrobben maar.
Onze druppel voelde het warme door de zon beschenen dek onder zich en merkte hoe hij uitgespreid werd over een vrij grote oppervlakte.
Een nieuw en vreemd gevoel maakte zich van het meester. Hij voelde zich duizelig worden en licht in het hoofd. Sterker nog, hij voelde hoe hij zich langzaam losmaakte van het dek, als een ziel die uit een stervend lichaam treedt. Langzaam verhief hij zich van het schip en steeg hoger en hoger voortgedreven door het licht en de warmte van de zon. Een fantastische sensatie maakte zich van hem meester. Dit was ongelooflijk om te zien, die kleine wereld beneden. Op deze afstand leken ook de problemen klein en dogma's niet meer belangrijk. Hij voelde zich meer bevrijd dan ooit tevoren.
Maar lang duurt gelukzaligheid niet, want al gauw begon hij het koud te krijgen.
Als reactie daarop trok hij zich wat meer samen, kroop wat meer in elkaar, maar de temperatuur bleef zakken, net zo lang dat hij weer zijn oude vorm terug had gekregen, een druppel.
Hij voelde zich te zwaar worden om zomaar in de lucht te kunnen zweven en begon hoogte te verliezen. In de verte zag hij bergen liggen, waarop hij afstormde met steeds grotere snelheid. Het bos kwam met rappe schreden op hem af en met een doffe plats kletterde hij op het blad van een berkenboom.
Langzaam probeerde hij zich te hervinden, terwijl hij naar de uiterste rand van het blad kroop. Tenslotte bungelde hij aan het puntje van het berkenblad en zag de vochtige grond onder zich.

Er gaat dus geen druppel verloren.
Zo zou het moeten zijn, maar ook daarin heeft de mens het heft in handen genomen en heeft het water middels zijn chemie in zoverre veranderd, dat het zijn zelfreinigende karakter dreigt te verliezen

Laten we nu dit voorbeeld eens doortrekken naar het licht. Stel, dat we zeggen: Er gaat nooit een straaltje licht verloren. Dan rijst direct de vraag: hoe komt het dan, dat licht op grotere afstand minder fel schijnt dan datzelfde licht, wanneer het dichterbij staat.
De verklaring van de wetenschap, dat de dampkring het licht absorbeert, is niet betekenisvol genoeg. Immers, als het wordt geabsorbeerd, waar blijft het dan daarna? Waarom kunnen we het dan niet terug halen uit die atmosfeer? Het is simpel door elk mens waar te nemen: hoe verder de lichtbron van je af staat, des te minder fel het licht wordt waargenomen.

Niet alleen hier op aarde is dit te zien, maar ook in de ruimte is dat waarneembaar.
Ook in de ruimte moeten dus voorwaarden aanwezig zijn, welke het licht doen afnemen in felheid. Voorwaarden zoals nevels, sterrenstelsels, stof en gruis en dergelijke, in ieder geval materie, waar het licht moeizamer doorheen komt.

Als dat inderdaad het geval is (en dat is het), dan kunnen we spreken van een weerstand tegen het licht. Zoals elektrische stroom weerstand (Ohm) kent in een draad, zo ondervindt dus ook licht weerstand, wanneer zij door materie heen wil dringen. Weerstand wil niet alleen zeggen 'afnemen in kracht' maar ook 'afnemen in snelheid'.

In een veel verder stadium moeten we hier ogenblikkelijk aan toevoegen, dat de snelheid van meerdere factoren afhankelijk is, dan alleen van de weerstand. Factoren als stuwingskracht, aantrekkingskracht en wellicht ook de hellingshoek zijn medebepalend.
Bovendien, moeten we er rekening mee houden, dat de materie in de ruimte wellicht een voor ons wel eens een volledig onbekende materie zou kunnen zijn. Een materie, die wellicht als eigenschap heeft lichtstralen kunnen breken of ombuigen, zoals vloeistoffen dat doen.
En misschien vertonen deze ombuigingen eerder gelijkenissen met onze spiegels en zijn het dus weerkaatsingen.

Tot nu toe spreken we en denken we over 'licht' in de betekenis van het ons bekende aardse licht. Hoezeer zal ons wetenschappelijk denken veranderen als we moeten vaststellen, dat 'licht', als het ware materieel, te bundelen is, te comprimeren.
Een lichtstraal met een doorsnee (lichtkring) van 10 meter met behoud van de intensiteit terug te brengen, te comprimeren, tot een lichtkring van een enkele centimeter. De resultaten kennen we inmiddels in de lasertechnieken. Als we dit kennen, is het dan niet eenvoudig voor te stellen, dat 'licht' daardoor 'dikker' wordt.

Weliswaar heeft die gecomprimeerde lichtbundel minder weerstand door zijn omvang, maar de lichthelderheid (dikte) en stuwkracht (massa) wordt zo groot, dat het zich trager zal voortbewegen, maar een veel grotere afstand zal afleggen. Veronderstellend hierop verdergaand, zou je je moeten afvragen hoever die comprimering kan gaan en wat de gevolgen zijn bij ongekend dichte lichtbundels. Wellicht zo dicht, dat licht als massa zich voortbeweegt met een alles-voor- zich-uit stuwende en alles-opzij-duwende kracht. Wordt dergelijke compact licht nog wel als licht waargenomen, of zien we dat als dichte materie. Eigenlijk zou je kunnen zeggen, dat je dan het ‘laser’-stadium voorbij bent.

Bij dergelijke comprimeringen en steeds verdere toename van de lichtintensiteit kom er het moment van 'omslaan'. Dat wil zeggen, dat het licht voor ons op een bepaald moment niet meer als licht waarneembaar is. Er komt een moment, dat verder comprimeren zulke verandering in ons waarnemen geeft, dat het lijkt, alsof het licht opeens is dooft. Het verdwijnt van ons netvlies.

Dan krijgt het licht een tegengesteld karakter.
In plaats van voorwaarts te snellen gaat het terug, naar waar het vandaan kwam, alsof er zuiging ontstaat, welke het licht in zichzelf naar binnen zuigt. Een implosie van de hoogste orde. Het gedoofde en geabsorbeerde licht nemen wij waar als het 'tegengestelde licht', als donker dus, als zwart. Alsof het zwart licht is geworden.

Op dat moment zien we het ons bekende 'zwarte gat'. Dat zwarte gat, zoals de wetenschap ons vertelt, met zijn rubbelige randen, met zijn wat flardige cirkels er omheen.
Dat zwarte gat met een aantrekkingskracht, oftewel een absorptievermogen, zo groot dat hij wel (quote) ‘6 keer een aarde kan opslokken’. Let wel, dit is taal der wetenschap, al zou je eerder geneigd zijn te geloven dat het een sprookje van Grimm was. Zouden ze zichzelf wel eens horen vertellen, die wetenschappers? Zouden ze dan wel eens het gevoel krijgen, dat ze eigenlijk kleine kindertaal brabbelen in een denkwereld van de GROTEN, waar we ons, met ons allen, nog lang niet mee kunnen meten.

Toch zijn het steeds weer de creatieve geesten, die wegen proberen te vinden voor de tot nu toe onverklaarbare zaken.
Met andere woorden, "kunst is de meest essentiële vorm van wetenschapsvoorspelling".

Het zwarte gat, waar alles in verdwijnt, waarschijnlijk ook dit verhaal


woensdag 31 december 2014

Kennis is vrijheid

Kennis is Vrijheid       © istvan koning

Opeens lag hij daar. Zomaar eigenlijk zonder dat iemand er erg in had.
Niemand kende hem, ondanks dat de school bij een klein dorp was gelegen, waar iedereen elkaar kende en iedereen elkaar groette. De mensen van het dorp hadden hem nooit gezien, anders hadden ze dat wel onthouden, gelet op het speciale uiterlijk dat hij bezat.
Hij lag bij de ingang van de oprijlaan naar de school, een hogeschool, die was gehuisvest in een oud doch statig landhuisachtig gebouw. Toch studeerden daar zo’n tweeduizend studenten in allerlei politieke vakrichtingen, die een democratie maar had kunnen bedenken. Dagelijks passeerden zij deze ingang, zo ook de hoogleraren en de vele gastsprekers, veelal politici en oud-politici. Ze hadden hem allemaal vast en zeker wel zien liggen, want hij lag voor iedereen duidelijk zichtbaar in het hoge gras voor de fraai gemetselde rechter zuil.
De oprijlaan naar de school werd bij de ingang geklemd tussen twee bakstenen zuilen, die voorzien waren van een prachtige cementen hoed. Op beide zuilen stond een naam, meer een woord eigenlijk.
Op de linker zuil stond “kennis” en op de rechter stond “vrijheid”. Als de smeedijzeren hekken ’s avonds om elf uur zich sloten stond in het midden een bordje waarop het woordje “is” te lezen was.
“Kennis is Vrijheid” was dus het motto van deze hogeschool, waar uitsluitend gestudeerd kon worden na een afgeronde universitaire studie en minimaal vijf jaar ervaring in enige politieke richting. Dan nog was het moeilijk om er tussen te komen. De meeste van de studenten, die dus allemaal zo rondom de dertig waren, hadden dan ook relaties of familieleden, die van enige politieke betekenis waren of waren geweest.
Hij lag in een houding, waarbij je je afvroeg of hij nu lag te slapen of dat hij dood was. Mijn eerste reactie was de laatste veronderstelling. Dat deed mij afstappen van mijn fiets, die ik tegen de zijkant van “Kennis” zette. Ongeveer dertig centimeter achter zijn hoofd verrees “Vrijheid”.
In het bloeiende gras knielde ik bij hem neer. Het gras geurde als in de zomer van mijn kindertijd toen we met de boerenwagens het hooi van het land gingen halen.
Hij lag stil, onbeweeglijk stil. Zelfs het rijzen en dalen van de buik, wat duidt op enige ademhaling, was niet waar te nemen. Klein was hij en tenger van postuur, maar bovenal was hij bruin. Niet het bruin van de zon, nee, dit was het bruin van een zuidoost Aziaat. Het was zo goed als zeker een Indonesische of Molukse man van hoge leeftijd. Hij bezat de huidskleur waar iedereen naar streeft als de zomer komt of in de winter onder de lampen. Dat prachtige bruin, waar een blanke kanker van krijgt.
Voorzichtig raakte ik zijn wang aan. Die was normaal warm, nochtans vertoonde zijn gezicht geen enkele reactie op die aanraking. Geen geknipper van een ooglid of het wegdraaien van het hoofd. Alles bleef onbeweeglijk. Zachtjes tikte ik met de volle hand tegen de wang, maar er volgde geen reactie.
“U moet hem met rust laten meneer,” klonk een vrouwenstem achter me met een zwaar Indisch accent.
Ik schrok en haastte mij mijn hand terug te trekken, draaide me om en stond oog in oog met een oude vrouw, eveneens klein van postuur, maar zeker niet tenger. Gezien haar uiterlijk was ook zij afkomstig uit 'de gordel van smaragd'.
Ze droeg een vale versleten lange jas, waar omheen een grof touw als ceintuur was geknoopt. Haar zwartgrijze haardos was dik en zwaar. Ze droeg het opgestoken en met lange houten satéprikkers werd het zware kapsel bij elkaar gehouden.
Ze keek mij strak aan, niet vriendelijk, ook niet onvriendelijk maar wel heel doordringend. Zo strak keek ze mij aan, dat ik mijn ogen niet van de hare kon losmaken. Het leek alsof ik in die ogen iets herkende, maar dat ik nog niet thuis kon brengen. Iets van ver weg en ogenschijnlijk geheimzinnig, maar toch ook iets, dat voor mij vertrouwd voelde.
Haar ogen, groot en heel donkerbruin, leken overtrokken met een laagje wazig fluweel, waar een zachte gloed van af straalde. Naarmate ik haar langer aankeek en in die ogen verdwaalde, leek het of ik steeds duidelijker de diepte van haar ziel te zien kreeg, zonder dat er een woord werd gewisseld. Ik zag meren en wouden met sacrale plaatsen, waar stilte en ontzag woonden. Ik hoorde geschuifel van duizenden blote voeten over het hete okergele zandpad. Kleine zonverlichte stofwolkjes zag ik van die voeten omhoog dwarrelen. Een eindeloze rij langzaam en eerbiedig voorttrekkende mensen zag ik in haar ogen.
Gebiologeerd staarde ik in haar diepten en plotseling trok er een glimlach over haar gezicht. Ik schrok weer, nu van die glimlach, want het gezicht glimlachte wel, maar in die ogen veranderde niets. Het tafereel bleef zoals het was en zogen mijn ogen vaster en vaster.
Ik kon mij niet meer verroeren en er kwamen geen woorden in mijn mond die ik wilde of kon spreken.
Alleen die schuifelende stoet mensen als een stille optocht van boetedoeners voor een of andere godheid, drong in mijn ogen, drong binnen in mijn hele hoofd. Er was nog slechts het donkere woud en de oneindige rij stoffige mensen op het zandpad, de hoofden gebogen en de handen ineen op de buik. Ze droegen allemaal dezelfde kleren, kaftans, even geel als het zand dat hun voeten deed opwaaien. Mannen, vrouwen en kinderen liepen daar ogenschijnlijk zonder enige emotie, totdat er één zijn hoofd naar me toedraaide, langzaam alsof het hem pijn deed.
Voor de derde maal schrok ik, nu zelfs zeer hevig want ik voelde hoe de huid op mijn rug verstrakte. Ik wilde wel een stap achteruit doen, maar mijn voeten leken verankerd in de aarde.
Toen ineens zag ik wat ze mij met haar blik probeerde duidelijk te maken. Zomaar ineens, alsof iemand het licht aandeed. Zonder één woord te spreken toonde ze mij iets dat machtiger was dan wat ik tot nu toe in mijn hele leven had gezien.
Tussen die mensensliert liep de kleine tengere oud-Indische man, die in werkelijkheid hier voor mij in het gras lag. En door haar ogen heen keek hij naar mij. Het scheen mij toe, dat hij me iets duidelijk wilde maken, maar ik voelde me een pasgeborene die nog nergens weet van heeft.
Hulpeloosheid kwam over me, maar tegelijk ook een heerlijk gevoel van veilige geborgenheid. Een gevoel waar ik me aan wilde overgeven om mezelf te verliezen in de poel van vrede en gerechtigheid. Zo moet een foetus zich voelen, dacht ik. Het was alsof deze vrouw zwanger was van mij.
Ik keek en zag de man in haar. Zijn handen die elkaar vasthielden voor zijn buik, lieten elkaar los en zijn rechterhand wees langzaam in mijn richting. Zonder het te beseffen voelde ik dat ik met mijn hoofd knikte. Daarna ging de wijsvinger van zijn hand langzaam omhoog en rees boven zijn hoofd uit. Met lichte stotende bewegingen leek de wijsvinger steeds in de lucht te willen prikken.
Geheel in de ban van dit tafereel merkte ik zelfs niet dat de vrouw dichter bij mij was gekomen.
Voor een buitenstaander moet dit een vreemd tafereel geweest zijn, zoals wij volledig gehypnotiseerd elkaar in de ogen stonden te staren.
Traag trok de stoet met de man aan mijn oog voorbij en boog verder op de zandweg rechts het donkere woud in. Ik probeerde dat woud in te kijken, maar de vrouw liet dat niet toe, want ineens voelde ik haar handen op mijn ogen en even werd alles duister.
Ik voelde hoe ze mij op de mond kuste. Een golf van warmte en licht goot ze mijn lichaam binnen. Met gesloten ogen wachtte ik af.
Zodra ik de druk van haar handen niet meer op mijn gezicht voelde en haar lippen de mijne verlieten, opende ik langzaam mijn ogen. Ze was er niet meer, maar voor mij lag nog steeds wel de oude man in het gras.
Ik keek naar het woord boven hem op de stenen zuil. “Vrijheid” stond daar.
Ambon, dacht ik, de vrije Molukken.
Toch gestorven voor de vrijheid, dacht ik en voelde me triest worden.
Op dat moment besloot ik niets te doen en hem te laten liggen zoals hij lag, ondanks mijn schuldgevoel.
In het gebouw wachtten studenten op mij en ik spoedde me derwaarts.
Aan het einde van de dag zocht ik mijn weg naar huis. De man lag er niet meer.

Na enige aarzeling besloot ik dit verhaal op te schrijven.
Dat was wel het minste wat ik kon doen.